De economie en ethiek van het kansspel –deel V

by Jaap J.M. Vos on 10/01/2010

In het land der kansspelen laait voortdurend de discussie op of je daar de markt en de burgers de vrije hand moet geven, het streng moet reguleren, het aanbieden ervan tot een staatszaak moet maken, of het maar gewoon helemaal moet verbieden. Waar we het in elk geval wel over eens zijn is dat er heel veel geld in omgaat en dat er onmiskenbaar risico’s aan zijn verbonden. Om de discussie wat lucht te geven is het misschien goed om eens naar die aspecten ervan te kijken door ze in kaart te brengen. Onder de kop ‘De economie en de ethiek van het kansspel’ brengen we een serie artikelen die de economische en sociale betekenis van het kansspel op neutrale wijze beschrijft en beoordeelt.

Vandaag deel V: Met welke middelen kunnen we kansspelverslaving te lijf?

We kennen in de westerse wereld over het algemeen een soort samenleving, waarin we aan de onderkant ervan van alles ondernemen om mensen in uiteenlopende zwakke en ongewenste posities proberen te helpen. Of het nu gaat om hulp bij ziekte, het bestrijden van armoede, het geven van kansen op onderwijs of het helpen bij het vinden van werk. Nu is ‘de westerse wereld’ een nogal ruim bemeten regio, en de eerste regels van dit artikel zijn geenszins bedoeld om de indruk te wekken dat er buiten de westerse wereld helemaal niets gedaan wordt om de zwakken in de samenleving te helpen. Voor het hoofdthema van deze serie echter is de westerse wereld als referentiekader het meest interessant om van daaruit de Nederlandse situatie en het Nederlandse beleid zo onbevooroordeeld en helder mogelijk te kunnen analyseren.

Hulpverlening in het algemeen is een zaak en taak van de overheid geworden, maar dat is zeker niet altijd zo geweest. In feite zijn het vooral de kerken en religieuze ordes geweest, die zich van die taak kweten vanuit hun christelijke opdracht en roeping. Die hulp schoot aan alle kanten te kort en de geschiedenis leert dat –mede door onbekendheid met de oorzaken van epidemieën- een samenleving daar regelmatig een zware prijs voor betaalde. Goede medische hulp was alleen weggelegd voor wie zich dat kon veroorloven. Met de opkomst in ons land van de kruisverenigingen werd dat allengs beter, maar de overheid hield zich vooralsnog afzijdig. De kruisverenigingen hebben de gemeentelijke overheden voortdurend onder druk gezet,dat gezondheidszorg ook een taak van de bestuurders was en zij kregen steun uit onverwachte hoek, namelijk van de gegoede burgers. Het was in de negentiende eeuw bekend geworden dat veel ziekten voortkwamen uit een gebrek aan hygiëne en goede voeding. Ook de slechte huisvesting speelde daar een rol in. De gegoede burgers beseften dat zij daardoor ook een constante dreiging liepen. Daar kwam bij dat de werkgevers onder hen last kregen van ziekteverzuim en golven van sterfgevallen, omdat sinds de industrialisatie haar intrede had gedaan, het van belang was dat de machines dagelijks bemand konden blijven. Er kwamen ook allerlei vormen van verzekeringen bovendrijven, maar ondanks tientallen jaren gesteggel in het parlement daarover, werd de ziekenfondsverzekering pas in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers ingesteld, een klein lichtpuntje uit die verder zo trieste jaren.

Hoe dan ook, we hebben nu een stelsel waarbij voor iedere vorm van hulpbehoevendheid minstens één instantie actief is en soms zelfs vele tientallen. De rol van de kerken is allengs minder geworden, maar nooit helemaal verdwenen, zie bijvoorbeeld het werk van het Leger des Heils in de grote steden en het vele missiewerk dat de kerken elders in de wereld uitvoeren. Bij het verlenen van hulp speelt de schuldvraag doorgaans geen rol. Dat is maar goed ook want anders zouden praktisch alle verslaafden buiten de hulpverlening komen te vallen. Op een enkele uitzondering na –bijvoorbeeld bij medicijnverslaving- is de verslaving altijd een gevolg van het eigen gedrag, of het nu om tabak, drank, drugs, seks of gokken gaat. De ene verslaafde zal allicht wat meer verzachtende omstandigheden weten aan te voeren dan de ander, maar de verwijtbaarheid blijft. Omdat verslaving in het algemeen de samenleving een hoop geld kost zet de overheid hoog in op hulp, die gericht is op genezing van de verslaving, zowel als op preventie. In dat opzicht verschilt het beleid niet van de normale gezondheidszorg, die immers ook altijd die twee elementen bundelt. Wat de overheid in elk geval niet doet is de elementen van de verslaving verbieden, hoewel daar tot op zekere hoogte best iets voor te zeggen zou zijn. Van alcohol kun je nog zeggen dat het bij matig gebruik een aantal positieve effecten kent, maar van tabak en drugs is dat toch nauwelijks te bedenken. De overheid probeert het gebruik van verslavende elementen te beperken, door enerzijds voorlichting te geven over de schadelijke effecten ervan en anderzijds het gebruik ervan te ontmoedigen door accijnzen te heffen. Dat levert de overheid het verwijt op dat ze toch maar mooi aan die verslaving verdient, maar dat is een loos verwijt, omdat de accijnzen ten goede komen aan de schatkist en dus aan de algemene middelen. Ten aanzien van drugs wordt een ander beleid gevoerd, omdat dit slechts zeer beperkt in het publieke domein verhandeld wordt en doorgaans via criminele circuits wordt aangevoerd. De bestrijding ervan richt zich op de handel, niet op het gebruik. Je zou kunnen zeggen dat, wat nuanceverschillen uitgezonderd, het beleid bij westerse overheden op al deze punten wel zo’n beetje hetzelfde is. Men is het eens over de risico’s van de verschillende producten, de nuance zit meer in de hardheid van de aanpak, vooral als het om drugs gaat.

Als het om het kansspelen gaat worden risico en ongewenstheid van kansspelverslaving algemeen erkend, maar het is verre van duidelijk of het als argument voor het beperken van kansspelen wel steekhoudend is. Elke overheid die kansspelen op de één of andere wijze aan banden probeert te leggen, noemt het als belangrijkste argument, maar het lijkt er in veel gevallen op dat men dit graag opvoert omdat het niet gemakkelijk te weerleggen is. Maar alcohol- en tabakverslaving komen veel meer voor en de maatschappelijke kosten voor het bestrijden ervan zijn vele malen hoger dan die gemaakt worden tegen kansspelverslaving. In de meeste gevallen gaat het beperken van kansspelen gepaard aan het verstrekken van licenties ervoor aan staatsbedrijven en in Nederland is dat niet anders. Of dat beleid juist is of niet komt pas later in deze serie aan bod, maar als middel tegen verslaving valt er in elk geval iets voor te zeggen. Er ligt absoluut een uitdaging voor nieuwe aanbieders, als die al een kans op de Nederlandse markt krijgen, om aan te tonen dat zij kansspelverslaving serieus nemen en er werk van maken om het tegen te gaan. Het zal ondertussen veel lezers zijn opgevallen dat ik het steeds heb over kansspelverslaving en niet over gokverslaving. Het begrip kansspel dekt in mijn ogen beter de lading. Poker bijvoorbeeld wordt door de meeste beoefenaars niet gespeeld uit behoefte om te gokken, maar omdat het een leuk en spannend spel is, waarbij steeds grotere vaardigheid kan worden verkregen. Gokken, of beter gezegd bluffen, zit in het spel opgesloten, maar is geen doel op zich, in tegenstelling tot veel andere kansspelen. Het gaat in deze serie niet om de aard van het spel, de loterij, of de weddenschap, het gaat om de economische betekenis van de sector als geheel en het ethisch besef dat we daarbij proberen aan te leggen. Zou een particulier bedrijf minder goed zijn in het tegengaan van kansspelverslaving als Holland Casino? Je zou zeggen dat zulks een kwestie is van goede normering en controle op gemaakte afspraken en regels. Even zo goed kun je zeggen dat het ongewenst is dat kansspelaanbieder en controleur dezelfde zijn: de overheid namelijk. Er zijn pijnlijke gevallen bekend waar Holland Casino gênant de fout inging bij haar controlerende en preventieve rol. Een particuliere organisatie zou wellicht veel strakker optreden omdat ernstig falen kan leiden tot intrekking van de vergunning. In elk geval is het duidelijk dat aan de zijde van de aanbieder veel gedaan kan en ook moet worden om kansspelverslaving snel te herkennen, ongeacht wie die aanbieder is. Dat deel van het beleid is dus redelijk boven kritiek verheven, je kan hooguit discussiëren over de uitvoering ervan.

Maar hoe anders ligt dit bij het internet, waar een ware wildgroei aan aanbieders is ontstaan. Het is volkomen begrijpelijk dat veel overheden daar met de nodige zorg naar kijken en het maar wat graag zouden willen indammen. Maar ook hier is er op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling: de overheid reguleert voornamelijk ten gunste van zichzelf als aanbieder. Waarmee niet is gezegd dat het beperken van kansspelen via het internet een verkeerde zaak zou zijn, maar het zou geloofwaardiger zijn als de overheid zelf geen partij was. Het internet is van onschatbare waarde gebleken als netwerk van kennis, cultuur en contacten. Natuurlijk zitten er ook negatieve kanten aan, maar geen zinnig mens die erover zou piekeren om het internet af te schaffen vanwege de nadelen ervan. Alleen dictators en levensbeschouwelijke fanaten zouden dat misschien wensen. Het internet kunnen we inmiddels beschouwen als een belangrijk segment in de kansspelsector. Als zodanig beconcurreert het de landgebonden aanbieders van kansspelen, zoals de casino’s en de wedkantoren. Het verbieden ervan in Nederland lijkt nauwelijks effect te hebben, want er wordt volop gespeeld op Nederlandstalige websites van aanbieders, die zich nu noodgedwongen buiten Nederland hebben gevestigd. De Nederlandse overheid heeft daar geen enkele controle op. Het afsluiten van het landelijk internet voor dit soort aanbieders lijkt mij onbegonnen werk. Alle online casino’s kennen hun spelers en kunnen zo’n site simpelweg naar een ander adres overzetten en hun spelers daar via de mail over berichten. Dat zou dus een gigantisch kat- en muisspel worden en waarschijnlijk niet bijdragen tot het inperken van de risico’s. Nog afgezien van het feit dat censuur niet erg populair is in ons land.

Maar die aanbieders kunnen natuurlijk zelf wel bijdragen aan de inperking van kansspelverslaving. En de meeste onder hen doen dat ook. De instrumenten die hen daarbij ten dienste staan zijn niet anders dan bij een legaal aanbod vanuit Nederland zelf het geval zou zijn. Er is om te beginnen de mogelijkheid die men aan spelers biedt om hun inleg of hun speeltijd te beperken. Een speler die bang is zichzelf niet in de hand te kunnen houden kan dus de hulp van de aanbieder inroepen om die beperking af te dwingen. Daar wordt ook gebruik van gemaakt, het is een instrument dat werkt. In de aflevering over de ethiek van het kansspel komen we daar nog op terug. Een tweede optie die er is wijst zich uit het gedrag van de speler. Zolang daar een beeld is van een gelijkmatige inzet en speeltijd is er vermoedelijk niets aan de hand en dit gaat op voor de overgrote meerderheid van de internetspelers. Wanneer een speler geleidelijk aan steeds meer gaat inzetten en steeds langer gaat spelen, kan dit twee dingen betekenen. Of hij hevelt speelgeld en speeltijd over van een andere aanbieder naar de betreffende site (zijn speelgedrag op zich verandert dus niet) of hij gaat inderdaad steeds meer aan speelgeld en -tijd besteden. Dat kan duiden op de ontwikkeling van een verslaving met alle risico’s van dien. In dat geval is het verstandig van de aanbieder als contact wordt gezocht met de speler en diens gewijzigde speelgedrag wordt besproken. Zolang het nog niet echt uit de hand is gelopen, kan de speler wellicht gebaat zijn bij een vrijwillige beperking van activiteit, zoals hierboven al besproken. In het slechtste geval kan de aanbieder de speler de toegang tot de site ontzeggen, maar het risico is natuurlijk levensgroot dat de speler dan naar een andere aanbieder gaat, keus genoeg tenslotte. Een soort zwarte lijst zou een oplossing kunnen bieden, maar dat werkt alleen als die internationaal van kracht is en door alle aanbieders gerespecteerd zou worden, een soort BKR voor kanspelers dus. Hierbij zij aangetekend dat landgebonden casino’s vaak krediet aan hun klanten verstrekken en internetcasino’s doen dat nooit. Een speler kan zich dus nooit tijdens het spelen in de schulden steken, omdat zijn inzet nooit verder kan gaan dan wat hij in zijn speelaccount heeft zitten. Dat is op zich ook al een beperking van het verslavingsrisico. Natuurlijk kan hij via zijn of haar eigen bank of via kredietmaatschappijen schuld opbouwen om aan zijn speelbehoefte te voldoen, maar de kredietverstrekking in ons land is aan behoorlijk strenge regels gebonden. De speler in kwestie zal dus al vrij snel de confrontatie met zijn directe omgeving aan moeten gaan om zijn uitgavenpatroon te verdedigen. Die directe omgeving van de speler is misschien wel de beste medestander van de overheid als het gaat om kansspelverslaving tegen te gaan.

In de serie ‘De economie en ethiek van het kansspel’ verschenen eerder:

Deel I: De definitie van gokken
Deel II – Economische en maatschappelijke kosten en opbrengsten
Deel III – Het spook van de verslaving
Deel IV – Het profiel van de gokverslaafde

Volgende delen:

- Atlantic City, de zeepbel doorgeprikt
- De economie van het kansspel
- De ethiek van het kansspel
- De economie en ethiek van het kansspel in Nederland

Gerelateerde Artikelen:

  1. Economie en ethiek van het kansspel: Deel XI– Heeft het kansspel een toekomst in onze samenleving? (tweede deel)
  2. Economie en ethiek van het kansspel: Deel XI– Heeft het kansspel een toekomst in onze samenleving? (eerste deel)
  3. De economie en ethiek van het kansspel Deel III – Het spook van de verslaving
  4. De economie en ethiek van het kansspel
  5. De economie en ethiek van het kansspel

Deze post staat in de categorie Casino Nieuws .

Comments on this entry are closed.

Previous post:

Next post: