In het land der kansspelen laait voortdurend de discussie op of je daar de markt en de burgers de vrije hand moet geven, het streng moet reguleren, het aanbieden ervan tot een staatszaak moet maken, of het maar gewoon helemaal moet verbieden. Waar we het in elk geval wel over eens zijn is dat er heel veel geld in omgaat en dat er onmiskenbaar risico’s aan zijn verbonden. Om de discussie wat lucht te geven is het misschien goed om eens naar die aspecten ervan te kijken door ze in kaart te brengen. Onder de kop ‘De economie en de ethiek van het kansspel’ brengen we een serie artikelen die de economische en sociale betekenis van het kansspel op neutrale wijze beschrijft en beoordeelt.
Vandaag deel VIII: De ethiek van het kansspel - de Nederlander en het kansspel
In deze serie zijn we aangeland bij het begrip ethiek, letterlijk: zedenleer. De ethiek handelt over zedelijke begrippen en gedragingen in het sociale verkeer en de seksualiteit. Daar is geen standaardpakket voor, ethische opvattingen verschillen van samenleving tot samenleving, beïnvloed door religie, politieke structuren, de mate van welvaart en de samenstelling van de bevolking. En ethische normen zijn elastisch, ze nemen in en rekken uit in het verloop van de tijd. Onze huidige kijk op een bepaalde materie, bijvoorbeeld het kansspel, wordt altijd beïnvloed door onze geschiedenis. In juli 2009 heb ik een driedelige serie* daarover geschreven, die ik in dit artikel zal samenvatten, om daarna weer verder te kunnen gaan met de stand van zaken anno 2010. De stukken tekst tussen aanhalingstekens zijn letterlijk overgenomen uit de eerder verschenen serie.
“Op de een of andere manier hebben we in ons land wat moeite om kansspelen, op welke manier dan ook, een plaats te geven. Politiek gezien leeft dat zowel in het christendemocratische kamp (waar rond gokken toch een zweem van zondigheid hangt), als bij de sociaaldemocratische partijen (arbeiders dienen met hun geld verstandig om te gaan en het niet te vergokken of te verdrinken). In ons land heeft altijd het geloof bestaan dat je voor je geld moet werken. Als je daartoe op grond van onvrijwillige werkeloosheid, op grond van ziekte of een handicap, of op grond van je leeftijd niet meer toe in staat bent dan zorgen we met z’n allen voor een vangnet. Onze sociale zekerheid is daardoor indrukwekkend en heeft vele landen tot voorbeeld gestrekt.”
Hierin ligt gelijk besloten waarom de politiek, in een verder toch tamelijk liberaal land als Nederland, niet veel op heeft met kansspelen. Dat is in zoverre vreemd omdat bijna elke Nederlander daar wel aan meedoet! De loterij voor de wandelclub, de grabbelton op de bazaar van de carnavalsvereniging, het bingo op de camping en –in wat groter verband- de Lotto, de Staatsloterij, de Postcodeloterij en nog een aantal geestverwanten daarvan. Vraag je de doorsnee burger en plein public waarom ze daar aan meedoen, dan hoor je meestal iets mompelen over de goede doelen, die ermee gesteund worden. We doen er aan mee en proberen het gelijk goed te praten. Dat zien we vaak als een gevolg van onze calvinistische mentaliteit. Maar die mentaliteit heeft ons juist heel ver gebracht!
“Hoewel een groot gedeelte van onze bevolking qua religie protestant georiënteerd is, kleeft er aan het begrip calvinist of calvinistisch iets negatiefs. Het heeft een zweem van onbuigzaamheid over zich, volkomen ten onrechte, want calvinisten hebben zich politiek altijd heel pragmatisch opgesteld. Ook in het dagelijks leven kwam dat tot uiting. Met uitzondering misschien van wat kleinere kerkgenootschappen zijn protestantse gemeenschappen heel soepel meegedraaid met de nieuwe tijd. De zondagsrust wordt nog wel als een mooi goed gezien, maar niet met de verplichting van een dubbele kerkgang, het laten staan van fiets of auto, of het wegdraaien van het hoofd bij een ijscokraam en andere zelfopgelegde beperkingen. Veel oudere mensen in ons land hebben nog armoede gekend, aan den lijve, of in hun omgeving. De graad van armoede kon per regio wat verschillend zijn, maar het was overal. Voor wie het hoofd boven water kon houden gold die onafhankelijkheid als een groot goed. Zuinigheid en spaarzaamheid waren de grootste deugden van een Nederlandse huisvrouw (die meestal als schatbewaarder in het gezin optrad). Wie onder de armoedegrens dook werd afhankelijk van steun, die vaak door de kerken werd gegeven. Kerken waren gesloten gemeenschappen binnen een stad of dorp, waar iedereen elkaar kende en waar niets geheim bleef. Als de man regelmatig in de kroeg werd gesignaleerd en de vrouw de hand op moest gaan houden bij de diaconie was de schande dubbelop. Tegen die achtergrond van het voortdurend vechten tegen armoede is het heel begrijpelijk dat verkwisting als een doodzonde werd gezien. Geen volk ter wereld heeft zoveel geld opgepot staan als de Nederlanders, in spaarvarkentjes, oude sokken, geldkistjes, op spaarrekeningen en in pensioenfondsen. Onze volksaard staat gekerfd in oude wijsheden als ‘wie wat bewaart, die heeft wat’ en ‘zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’. Het hoeft niet te ontaarden in vrekkigheid, maar een beetje ‘op de penning zijn’ kan helemaal geen kwaad.”
Maar Nederlanders waren niet alleen boeren en buitenlui, maar ook handelsreizigers. Van verre brachten we nieuwe producten thuis, nieuwe ideeën, nieuwe opvattingen. De opkomst van de televisie bracht de hele wereld in de huiskamer en met het groeien van de welvaart konden we die wereld ook daadwerkelijk met eigen ogen gaan zien. En we zagen dat in veel andere landen casino’s midden in de samenleving stonden en dat wilden we ook wel. De overheid besloot er een paar neer te zetten en daar moeten we het dan ook mee doen, maar de opkomst van het internet gaf ons de mogelijkheid om vanuit onze luie stoel aan casinospelen of pokertoernooien mee te doen. Aan de basis is onze mentaliteit, ons ethisch besef, niet zo heel veel veranderd, maar we gunnen elkaar veel ruimte. Zo konden onze stranden een paradijs worden voor wie topless wil zonnen en laten we iemand rustig een stickie roken als hij of zij dat graag wil. Zo accepteren we ook dat een avondje casino ontspannend kan zijn (“ach, dat moet een keer kunnen”) en tellen we de zegeningen van het internet, ondertussen toch een waakzaam oog houdend op de mogelijke gevaren ervan.
“In het licht van de vele gezamenlijke rekeningen, die in Nederlandse huishoudens bestaan, is het niet zo eenvoudig om uitgaven te doen waar de partner niet achterkomt. En dat brengt ons ook bij de kern van het online spelen: het kan allemaal gratis en dat kan heel leuk zijn, maar het kan ook met harde valuta en dan wordt het een stuk spannender. Maar ergens op een afrekening staan de uitgaven vermeld. Dus zal de doorsnee speler, die rekening heeft te houden met anderen in het huishouden, daar open over moeten zijn. En de meesten zullen dat ook gewoon zijn, waarom niet? De mens is in z’n geschiedenis geëvolueerd zoals een kind opgroeit: zoekend, lerend, genietend, ondeugend en spelend. Dat alles met vallen en opstaan. De internetmens is een afspiegeling daarvan. Hij of zij maakt gewoon gebruik van nieuwe media en nieuwe mogelijkheden. Ook als het om pokeren gaat of schaken of postzegels verzamelen.”
*Bron:
“Nederlanders zijn kansspelers bij uitstek”
Driedelige serie, gepubliceerd op www.onlinecasino.nl
In de serie ‘De economie en ethiek van het kansspel’ verschenen eerder:
Deel I: De definitie van gokken
Deel II – Economische en maatschappelijke kosten en opbrengsten
Deel III – Het spook van de verslaving
Deel IV – Het profiel van de gokverslaafde
Deel V – Met welke middelen kunnen we kansspelverslaving te lijf?
Deel VI – Atlantic City, de zeepbel doorgeprikt
Deel VII –De economie van het kansspel
- De ethiek van het kansspel: wat doet de industrie?
- De ethiek van het kansspel: heeft het kansspel een toekomst in onze samenleving?
- De economie en ethiek van het kansspel in Nederland
(samenvatting en conclusies)
Deze post staat in de categorie Casino Nieuws .

